Bij Collectief Circulair werken ontwerpers, bewoners, beleidsmakers en makers samen aan de woningen van de toekomst. Het doel is een concreet plan voor duurzame huizen in de IJmond, van materialen uit de IJmond, voor mensen die hier een woning nodig hebben.
In het midden van de ruimte staat een ronde tafel, gemaakt van hergebruikte en biobased materialen. Twaalf ronde krukken eromheen. De tafel vult zich met borden met zeewier, een stuk asfalt met staalslak, een krat schapenwolisolatie. En op een van de krukken schuift een vrouw aan van middelbare leeftijd met een wandelstok die ze heeft meegebracht als argument. “Er wordt veel te weinig gebouwd voor ouderen”, zegt ze. “En dat vind ik onzucht.”
Haar naam is Greet. Ze woont in Wijk aan Zee. Ze heeft geen bouwkundige achtergrond, geen financieel belang, geen subsidieaanvraag lopen. Ze is hier omdat iemand haar vroeg te komen. En dat, precies dat, is het punt.
Dit voorjaar kwamen drie keer een andere groep van twaalf mensen bij elkaar in de IJmond voor een ongebruikelijk soort vergadering. Geen projectpresentatie, geen inspraakavond. Eerder een co-creatieve zoektocht: hoe bouw je woningen die écht thuishoren in de regio? Van materialen die hier groeien, liggen of overblijven. Met mensen die hier al leven of willen leven. En op een manier die het landschap niet uitput, maar versterkt.
Het initiatief heet Possible Landscapes, een methode van Biobased Creations, een creatieve organisatie die de transitie van bouw, landbouw en landschap verbeeldt via installaties, films en dit soort intensieve werksessies. Trekker van het IJmond-project is Annabel Thomas, oprichter van Collectief Circulair, samen met architecten van CHRITH en .WPLA architectuur.
Het doel: een ontwerp voor twintig regeneratieve, bioklimatische woningen – als prototype, als statement, als inspiratie.
Wie komt er te wonen?
Lucas de Man is oprichter van Biobased Creations en begeleidt de sessies. Hij komt uit België, woont al twintig jaar in Amsterdam, en heeft een manier van vragen stellen die mensen uit hun routine haalt. Hij legt een vraag op tafel, draait de zandloper om, en geeft iedereen een minuut om te schrijven, en pas daarna wordt er gesproken. “Anders praten de luidsten altijd het eerst”, legt hij uit.
De mensen aan tafel zijn bewust divers uitgekozen. Een wethouder ruimtelijke ordening naast een medewerker van Rabobank. Een architect gespecialiseerd in wooncoöperaties naast een vrouw die een opvangstichting runt voor Oekraïense vluchtelingen en economisch daklozen. Maar ook Jannie, een student mechanische techniek die in een tijdelijke opvangplek woont en gewoon een kamer zoekt – “niet voor de crisis, maar voor lang.”
Wat volgt is een gesprek dat schuurt en beweegt. Jannie zegt dat ze niet veel nodig heeft. Een eigen douche zou al een stap vooruit zijn. Greet pleit voor een project dat mensen helpt om kleiner te gaan wonen, zodat gezinnen kunnen doorstromen. Een projectontwikkelaar beschrijft zijn droomscenario: een meergeneratiegebouw met gedeelde ruimtes, crisiswoningen ingebouwd, en een café waar ook de buurt binnenloopt.
Wat snel opvalt: de technische vragen lossen op in de sociale. De echte vraag is niet hoeveel vierkante meter iemand nodig heeft. De echte vraag is wat een plek tot thuis maakt, en wie dat mag bepalen.
Wim Aardenburg, één van de architecten, schrijft alles op wat er gezegd wordt. Begrijpelijk: na deze drie sessies gaat hij met een interdisciplinaire groep aan de slag om de ontwerpen daadwerkelijk te maken, en hij wil niets missen. “Geef mensen een leeg speelveld”, oppert hij. “Zet zo weinig mogelijk vast. De woningen moeten van hen zijn – door hen gevormd en niet voor hen bepaald.”

De wooncoöperatie keert telkens terug als antwoord. Niet als ideologisch ideaal, maar als praktisch instrument: collectief eigendom maakt woningen permanent betaalbaar, voorkomt speculatie, en geeft bewoners zeggenschap over de regels van samenleven. “In Wenen woont tachtig procent van de mensen in een of andere vorm van collectief eigendom”, zegt iemand aan tafel. In de IJmond is het nog pionieren.
Waar is het van gemaakt?
In een andere sessie verschuift de focus naar materie. Aan tafel zitten onder anderen een houtzager die lokaal gekapte bomen tot planken zaagt, een bouwbedrijf gespecialiseerd in houtskeletbouw, twee onderzoekers van Tata Steel die werken met staalslak – het restproduct van staalproductie – een zeewierraffinaderij en een bloementeler uit Heemskerk die al jarenlang zeewier gebruikt als plantenvoeding.
Wat ze met elkaar delen is een fascinatie voor wat er al is. De houtzager haalt bomen op die gekapt worden in de gemeenten Haarlem en Amsterdam. De Tata-onderzoekers proberen staalslak een hoger doel te geven dan vulmateriaal voor funderingslagen: het heeft bijzondere eigenschappen als warmteaccumulator, mogelijk zelfs als bindmiddel voor nieuwe bouwstenen. Het zeewierraffinagebedrijf verkoopt zijn vloeibare fractie aan glastuinbouwers; de vaste fractie wordt verwerkt tot wandpanelen door een bedrijf dat lijmvrije platen maakt van zee- en landvezels.

De vraag die door de sessie heen loopt: kan dit allemaal in één gebouw? Kan een woning in de IJmond werkelijk gemaakt worden van wat de regio zelf voortbrengt?
Het antwoord is genuanceerd. Houtskeletbouw is mogelijk met lokaal hout, maar certificering is een hindernis. Staalslak is veelbelovend, maar nog niet doorgebroken in de woningbouw. Zeewierplaten zijn gecertificeerd voor interieur, niet voor constructie. En schapenwolisolatie van Nederlandse schapen wordt vernietigd bij gebrek aan afzetmarkt, terwijl die uit Oostenrijk wél beschikbaar is.

Tegelijk klinkt een steeds luider pleidooi om anders te kijken. “Noem het een kunstwerk”, zegt Lucas droogjes. “Dan mag er ineens veel meer.” Het is half grappig, maar ook serieus: een pilotproject biedt ruimte om af te wijken van standaardnormen. Precies die ruimte is nodig als je wilt bouwen met materialen die nog geen certificaat hebben, maar wél werken.
Hoe breng je het bij elkaar?
Eén van de meest concrete ideeën die uit de sessies naar voren komt: een materialenhub voor de IJmond. Een gedeeld platform waarbij vraag en aanbod van restmaterialen aan elkaar worden gekoppeld. Just-in-time, zodat een kozijn dat vrijkomt bij een kantoorrenovatie niet maanden in een loods staat te wachten, maar meteen zijn weg vindt naar een woning in wording.
De gedachte sluit aan bij wat in Brussel al realiteit is. Daar is het inmiddels verplicht dat dertig procent van alle bouwmaterialen uit de stad zelf afkomstig is – hergebruikt. Elke bouwplaats wordt ook een opslagplaats. Elke sloophandeling wordt een aanbod. “In België doen we dat al”, zegt Lucas. “En weet je wat we in België ook al lang niet meer doen? Het toilet doorspoelen met drinkwater.” Hij zegt het lachend, maar hij meent het. In Nederland is dat nog altijd de norm – een detail dat meer zegt over ingesleten gewoontes dan over technische onmogelijkheden.
In de IJmond zijn de bouwstenen aanwezig. Tata Steel heeft naast staalslak honderden andere reststromen. Kantoorpanden worden leeggetrokken. Bossen worden gerooid. Schapen worden geschoren. De vraag is niet óf er materiaal is – de vraag is hoe je het bij elkaar brengt, en wie daarvoor de verantwoordelijkheid neemt.
Wat is de volgende stap?
De sessies zijn het fundament. Vanaf september gaan architecten Wim Aardenburg en Thomas van Nus met een interdisciplinaire projectgroep aan de slag om de inzichten te vertalen naar een concreet ontwerp: twintig regeneratieve, bioklimatische woningen voor de IJmond. Geen vrijblijvende schets, maar een visionair prototype voor dit gebied, en als voorbeeld voor de rest van het land.

De tekeningen, materiaalstaten en ruimtelijke scenario’s worden samengebracht in een reizende tentoonstelling, die later dit jaar te zien is in de regio en tijdens de Week van de Circulaire Economie 2027 een centraal aandachtspunt vormt.
Maar eerst is er donderdag 11 juni. Dan presenteren Lucas de Man en Annabel Thomas de eerste uitkomsten van deze Possible Landscapes aan de Ondernemersvereniging IJmond en andere regionale stakeholders – in een publiek toegankelijke bijeenkomst. Voor iedereen die wil snappen wat er in de IJmond in beweging is gezet. Of die er zelf deel van wil uitmaken.
Want dat is misschien wel de belangrijkste les van dit voorjaar: het begint niet met een ontwerp. Het begint met mensen die bereid zijn aan tafel te gaan zitten. Met een wethouder en een student. Met een staalonderzoeker en een bloementeler. Met een vrouw die haar wandelstok meebrengt als argument.
En dan kijken wat er mogelijk is.
Possible Landscapes IJmond is een initiatief van Collectief Circulair, Biobased Creations, CHRITH architecten en .WPLA architectuur, mede gefinancieerd door de Europese Unie via JTF IJmond en Kansen voor West, en de Rabobank Ondernemersimpuls.
Dit artikel is geschreven door Emma Fabri.



Geef een reactie